Schakel JavaScript in om de bestand uploader te gebruiken.
Hoe zorg je ervoor dat gewenst gedrag, na een initiële beloning (externe prikkel), overgaat naar de eigen persoonlijke motivatie en daarmee blijvend wordt? Een vraag die veel programma- en projectteams bezighoudt.
Presentatie
Gedragsverandering
Zowel onderzoek als praktijkvoorbeelden hebben ons geleerd dat gedragsverandering pas echt beklijft als er sprake is van een eigen, persoonlijke motivatie. In veel van de huidige Beter Benutten projecten zetten we in op gedragsverandering. Het bereiken van deze persoonlijke of intrinsieke motivatie bij deelnemers blijkt echter een uitdaging te zijn. Doel van deze sessie is te inspireren om de uitdaging aan te gaan.
Aan de hand van theoretische- en praktijkvoorbeelden gaan we op zoek naar hoe je voorsorteert op de overgang van extrinsiek naar intrinsiek gedrag en hoe je daarmee de kans vergroot dat gedragsverandering bestendigd wordt in de aanloop naar de afronding van jouw project.
Hoe complex is het brein? Hoe zorg je voor structurele gedragsverandering en hoe zorg je ervoor dat nieuw gedrag volgehouden wordt? Hiervoor moet in maatregelen de complexiteit van ons brein ‘meegenomen’ worden. Gerard Tertoolen legt uit.
Er zijn 3 grote delen in het brein te onderscheiden. Het reptielenbrein, het meest primitieve deel. Het complexere zoogdierenbrein een ‘niveau’ hoger en de neocortex, het meest slimme en rationele gedeelte van het brein.
In projecten en programma gericht op gedragsverandering denken dat we dat we het slimme en rationele gedeelte van ons brein moeten aanspreken maar veel gedrag komt uit primitieve lagen. Je moet het reptielenbrein aanspreken. Die zit het diepst verborgen in hersenen. Dit deel spreken we vooral aan als er gevaar dreigt. Dat kan doodsangst zijn, maar dat deel wordt ook aangesproken als jouw vastigheden in gevaar komen. Als je vrijheden en zekerheden in gevaar komen, ervaar je dat ook als bedreiging. Het reptielenbrein reageert dan met vechten, vluchten of bevriezen.
Het zoogdierenbrein (of limbische systeem) stuurt je gevoel. Emoties spelen een belangrijke rol. Ook huizen hier sociale aspecten: dit deel laat jou ook kijken naar wat anderen doen, bij het bepalen van je eigen gedrag. Ook kuddegedrag is dus typerend gedrag dat voortkomt uit dit deel van het brein. Tegelijk met sociale aspecten treden ook ‘asociale aspecten’ op (bewust het gezamenlijke belang negeren en voor jezelf kiezen). Een derde kenmerk van het zoogdierenbrein is dat het vatbaar is voor conditionering. Daaraan gekoppeld zitten belonings- en bestraffingsmogelijkheden. Je gaat gedrag herhalen dat iets positiefs oplevert en je gaat gedrag uit de weg dat bestraffing oplevert of kan opleveren.
Het meest ontwikkelde deel van de hersenen is de neocortex is tevens het buitenste deel van het brein. Het rationele deel, wat je aan kunt spreken door in overleg te gaan, te argumenteren. Op dat deel richt mens zich traditioneel met name als het gaat om mensen aan te zetten tot gedragsverandering. Dat is in principe niet verkeerd, maar het schiet te kort. Door onvoldoende rekening te houden met de primitievere lagen, richten we maatregelen in die maar beperkt effectief zijn.
De kern van effectieve gedragsverandering is: kijken naar motieven en weerstanden, deze respectievelijk versterken en afzwakken op een manier die recht doet aan waar ze ‘in het brein gehuisvest’ zijn.
Kernvraag: Hoe kun je mensen stimuleren om te gaan doen, wat ze voorheen niet deden?
IMMA gaat uit van belonen. Belonen kan zeker werken. Echter: iedere gedragsverandering roept ook weerstand op. Weerstand komt veelal voort uit het reptielenbrein. Via de rationele weg weersatnden te lijf gaan (de weerstanden tegenspreken) werkt meestal averechts: ‘dat kun je wel zeggen, maar mijn beleving is echt anders.’ Zoek daarom liever uit waar de weerstand echt zit en probeer de oorzaak weg te nemen. Voorbeeld: ‘Ik ga niet fietsen want het regent altijd.’ Verkeerde (rationele) bestrijding: ‘Dat is niet waar, Het regent statistisch gezien maar 3% van de tijd.’ Dit is verkeerd omdat de persoon in kwestie a) meestal niet zit te wachten op een wijze les, b) hij zijn eigen ervaring als referentie heeft en die geheel anders is en het belangrijkste: c) hij eigenlijk met zijn weerstand een opening biedt om wel te gaan fietsen mits het maar niet regent. Genoemd rationeel tegenargument gaat dus geheel voorbij aan de kans die geboden wordt. Daarom is de juiste benadering van deze weerstand: ‘Ik snap dat je fietsen in de regen niet zo ziet zitten. Vind ik zelf ook geen onverdeeld genoegen, terwijl fietsen op zich juist zo fijn is. Weet je wat, dan fiets je toch ook alleen als het mooi weer is. Probeer het eens op een mooie dag. Als het de dag erna regent, neem je dan weer de auto. Maar de dag daarna met mooi weer, zul je vast weer willen fietsen.’ Op den duur -als iemand intrinsiek gemotiveerd is - kun je dan ook fietsen bij minder weer gaan opperen, of het extra gaan belonen.
Terug naar ons brein. De belangrijkste psychologische mechanismen om gedragsverandering uit de weg te gaan, zijn:
Hoe kom je door al die weerstanden heen? Daarvoor gaan we terug naar het reptielenbrein. De reacties van dit brein tegen verandering zijn vechten, vluchten, bevriezen. In verkeersgedrag uit zich dit bijvoorbeeld in ruzies op de snelweg (vechtgedrag). Een voorbeeld van vluchtgedrag is doorrijden na een aanrijding. De gedachte is dan ‘rennen, dan kom ik er misschien mee weg’ of het komt voort uit shockreactie: impulsief vluchtgedrag. De evolutionaire gedachte achter bevriezen is: als je niet beweegt ben je niet zichtbaar. In het verkeer zie je bijvoorbeeld verlamd raakt door het plotseling opdoemen van sirenes en zwaailichten van hulpdiensten. Inefficiënt deze reactie, maar het komt toch regelmatig voor.
Er zijn drie verschijningsvormen van weerstand, die corresponderen met vechten, vluchten en bevriezen:
Hoe kun je hier effectief mee omgaan?
1. Reactance: “Je pakt me iets af.”
2. Scepsis: “Je kan me nog meer vertellen.”
3. Inertie (onverschilligheid). “Ik wil het eigenlijk niet horen. Waarom zou ik veranderen?”
Vragen deel 1
Q:Als je nou veel reactie in de vorm van weerstand oproept, doe je het dan goed of slecht?
A: het is niet erg om weerstand op te roepen als je er maar mee aan de slag gaat. Daarvoor geldt: ken je doelgroep!!!! Ken die weerstand en weet waar die vandaan komt. Niet alleen het gewenste gedrag belonen, maar ook weerstanden kennen en verminderen.
Q: De mensen in projecten die werken aan gedragsmaatregelen zijn vaak rationele mensen. Dit zijn veelal positievelingen (wij dus) waar we in projecten niet veel te maken hebben.
A: Dat klopt. Een voorbeeld hiervan is: als je bij de Fietsersbond werkt, dan ben je zelf vaak heel positief over fietsten en denk je dat iedereen zo over fietsen denkt. Maar dat is niet zo. Ook hier: ken je doelgroep!
Q: Ik ben ervan overtuigd dat je op zoek moet naar balans. Niet alleen vanuit jezelf. Je wilt niet aan weerstand denken laat staan doen. Maar dat moet dus wel.
A: Klopt. Die houding komt voort uit zelfoverschatting. Je moet eigenlijk even op je plek gezet worden. Zowel mensen als organisaties tonen dezelfde mechanismen. Houd zelfinzicht en denk niet dat de hele wereld het altijd met je eens is omdat het om je eigen gebiedje gaat.
Motivatie. Die komt uit de complexere delen van het brein (limbische systeem en neocortex). De motivatie uit het reptielenbrein is uitsluitend gericht op voortplanting en voedselvoorziening. Dat ligt wat verder af van reisgedrag.
De kenmerken van het zoogdierenbrein waren:
Van de Neocortex:
Er zijn 2 manieren m.b.t. motivatie om gedrag te veranderen.Houd deze manier goed uit elkaar en denk er goed over na. Gedragsverandering verloopt via de centrale route of via de perifere route.
Wanneer er sprake is van hoge motivatie om gedrag te veranderen (men wil zelf graag) dan wordt de centrale route gevolgd. Je kunt hen aanspreken, argumenten kracht bijzetten, ze overreden en overtuigen dat ze de stap echt moeten zetten. Deze gedragsverandering is duurzaam, want er gaat attitudeverandering aan vooraf.
Maar als mensen minder gemotiveerd zijn hun gedrag te veranderen, is hen aanspreken en overreden niet de meest heilzame weg. Je kunt hier beter via een omweg je doel proberen te bereiken. Deze route gaat via verleiding. Hier moet je iets toevoegen aan het gewenst gedrag: fun, beloning, imago of sharing. Dat is dan in eerste instantie de werkelijke reden waarom ze meedoen, niet omdat ze het gewenste gedrag zelf zo belangrijk vinden. Hier wordt de perifere route gevolgd. Als men dan het gewenste gedrag vertoont, is het de verwachting dat men ontdekt hoe leuk/voordelig het eigenlijk is en dat men dan vervolgens de perifere cues (beloning, gaming, et cetera) niet meer nodig heeft.
Voorbeelden perifere cues zijn:
Extrinsieke motivaties zijn tijdelijk en eindig dus moeten we in projecten de verschuiving van extrinsiek naar intrinsieke motivatie faciliteren.
Positieve emoties aanspreken m.b.t. gewenst gedrag
Tips om op rationele basis gedragsverandering te realiseren
Te snel mensen gaan overtuigen, geeft dus weerstand. Daarmee zit je gelijk ‘vast’ in de diepere lagen van het brein. Een goede basis voor ‘het gesprek aan kunnen gaan’, wordt als volgt gelegd:
Tabel 1: gedragingen en motieven
In de bovenstaande tabel zie je verschillende gedragingen en verschillende motieven. Wanneer je feedback geeft wil je aansluiten bij dat wat voor die persoon relevant is. Je doet niets met feedback waar niet op zit te wachten. In de tool die je gebruik bouw je idealiter in dat iemand dus persoonlijke feedback krijgt. Dit stimuleert en beweegt de intrinsieke motivatie. Op allepunten uit de tabel kun je feedback geven. Maar houd dus rekening met wat mensen willen.
Figuur 1: schematische weergave van de weg naar verandering
Het schema laat zien dat je via het geven van lokkertjes (extrinsieke motieven), iets uitproberen en via het aanpakken van weerstanden, het wegnemen van drempels kunt komen tot intrinsieke motieven. Manieren om te komen tot structurele gedragsverandering zijn sociale beïnvloeding, imago, feedback geven en inspelen op gemak.
Tot slot: de Vuja de. De kern om van extrinsiek naar intrinsieke motivatie te gaan is Vuja de. Dit is de tegenhanger van de Déja Vu. Het is ‘the strange feeling that this has never happened before.’ Laat mensen een ervaring opdoen die ze nog niet of nauwelijks kenden, maar die fantastisch is. Kort gezegd: dit had ik veel eerder moeten doen. De flexibiliteit en rust van thuiswerken, het hoofd leegmaken op de fiets naar huis, geen verloren tijd in de file meer… allemaal potentiële Vuja de’s.
Vragen deel 2
Q: Wanneer is het moment om in je project met leuke fun-dingen te stoppen, wanneer ga je over naar intrinsiek motiveren? Is daar een richtijn voor?
A: Het is voor mensen verschillend. Veelal beginnen projecten te laat met het verschuiven van extrinsiek naar intrinsiek. Het advies is: begin daar gelijk mee. Weet genoeg over wat je doelgroep motiveert, maar overvoer ze niet. Sta in startblokken als het gaat om feedback etc. Daarom moet het feedback programma eigenlijk bij aanvang van het project al klaar zijn.
Q: Moet je altijd starten met extrinsiek motiveren, alvorens je met intrinsiek motiveren aan de slag gaat? Kan je niet gelijk naar intrinsiek?
A: Dat is een mix. Iedereen is anders. Soms moet je een klein stuk overbruggen, omdat deelnemers alleen een extra zetje nodig hebben. Soms heb je te maken met een groot stuk dat je moet overbruggen voordat je mensen in stelling hebt gebracht. Zorg voor juiste mix en dosering van centrale en perifere route. Niet alleen centraal en niet alleen perifeer, want je verliest er mensen mee die wellicht mee hadden willen doen.
Q: Ik zit in project waarbij we vragen: wat vind jij belangrijk in je reis?
A: Super! Helemaal als je ideeën hebt om er daarna mee aan de slag te kunnen gaan.
Q: Ja we hebben een programma gebaseerd op thema’s. Daarmee zetten we de antwoorden in de juiste context. Hier volgen ontwerpeisen uit voor bijvoorbeeld fietspaden.
A: Ik ben benieuwd wat dat oplevert.
Q: Een dergelijk gedragen iets geeft een gezamenlijk verantwoordelijkheid. Een gevoel van: dat fietspads is ook van mij.
A: Zelf verantwoordelijk maken is inderdaad heel sterk. Mensen een eigen inbreng geven maakt dat het hun kindje wordt.
Maar let op; het gaat vaak wel om een subgroep. En niet de hele populatie.
Q: Ik mis gewoontegedrag in jouw presentatie. Waar zit dat?
A: Klopt. Goede vraag. Ik heb gewoontegedrag vanwege de beschikbare tijd uit de presentatie gehaald. Het is wel een belangrijk element, want gewoontegedrag loopt door het hele brein heen. Van impulsieve weerstand in het reptielenbrein tor het koesteren in je comfortzones van de neocortex. Toch was het de rode draad in mijn verhaal om mensen uit oud gedrag te halen en nieuwe aan laten. Het belangrijkste is om hen ervaringen op laten doen. Mensen uit hun routine halen en ander gedrag laten ervaren. Mensen die echt vastgeroest in hun auto zitten eruit halen is een kansloze missie. Daar moet je geen energie in steken. Mensen die het al goed doen, of klein zetje nodig hebben is de makkelijkste groep. Hier heb je minder energie voor nodig. Stop veel energie in de middengroep. In deze groep zijn ze vatbaar voor verandering en het is een grote groep. Laat hen ervaring opdoen en gebruik de sociale component (velen doen het, nu jij).
Q: Terugvalgedrag? Hoe ga je daarmee om?
A: Garanties bieden. Aanknopingspunten zoeken om mensen uit te laten proberen maar ook weinig risico’s te laten lopen. Nu, in de winter, mensen werven voor fietsstimuleringsprogramma’s is best lastig en eigenlijk niet verstandig.
Q: Waarom belonen we mensen die al op de fiets zitten niet? Dat is hetzelfde als bijvoorbeeld de Microgids die nieuwe mensen een cadeau geeft en ik als trouwe abonnee krijg niets.
A: Dat is een van de grote dilemma’s die erbij hoort. Je beloont eigenlijk het foute gedrag. Zij die het nu al het gewenste gedrag vertonen krijgen niks. Want daar is vaak geen budget meer voor. We hebben zelf, in een lopend project, bedacht: mensen die al het goede gedrag vertonen, kunnen mee doen en krijgen punten (geen credits). Dat spreekt het verzamelinstinct aan. Je krijgt dan competities: de bestaande fietsers zijn ambassadeurs. Ambassadeurs kunnen een team opzetten en krijgen een deel van de credits van teamgenoten. Op die manier krijgen zij dus toch een deel van de beloning.
Gerard Tertoolen
Werkt voor XTNT aan diverse adviesklussen op het gebied van mobiliteit. Samen met Innovactory werkt hij in een consortium aan IMMA projecten (app voor bevorderen en meten gedragsverandering). Daarnaast heeft hij zijn eigen bedrijf de Verkeerspsycholoog, dat zich inzet om mensen te inspireren op het raakvlak van psychologie en mobiliteit.